Njitnelavs lot*** *** *** *** Tijdlijnen. Timelines.

De Onsterfelijke.

(Oorspronkelijk: 1988).

Een verhaal geschreven door de Njitnelav.

Een man kreeg het geschenk van zijn leven,
Het lot had besloten hem de gave der onsterfelijkheid te geven.

Men zou denken: Dit is prachtig,
maar al gauw kwam hij erachter: "Dit wordt mij te machtig".

Bij zijn vrienden stak al op de wind van de jaloezie,
niemand was meer zijn evenknie.

En de tijden verstreken snel, en dat was een sof,
want de vrienden die bleven vervielen alras tot stof.

Hij zocht troost bij het vrouwelijk schoon,
maar achter zijn rug echter, hoorde hij hun gehoon.

Toch besloot hij het niet op te geven.
Er was immers zoveel interessants om voor te leven.

Hij was nu immers onsterfelijk,
misschien vond hij ergens zijn geluk.

Eeuwen gingen aan hem voorbij,
en het einde van al het interessants was nabij.

Toen hij meer dan 10 millennia oud was, sloeg de wanhoop echt toe.
En hij moest de conclusie trekken: "Ik ben het leven moe".

Hij klom in een toren,
die vroeger gebruikt werd om mee in de grond te boren.

Hij bereikte de top,
en riep: "Dit leven was een flop".

Hij keek naar beneden vanaf dat hoge gevaarte dat de grond uit rees,
en plotseling kreeg hij last van hoogtevrees.

Hij begon er nogmaals over te denken,
of hij wel zijn leven zo weg wou schenken.

Er was in het Al nog zoveel goeds te doen,
en dat ook niet perse voor de poen.

En de man nam het wijze besluit:
"Uit dit leven, stap ik nog niet uit".

Hem wachtte nog een reuzetaak;
zijn redenering was immers raak!

In de wereld was veel leed,
en dus hield hij al zijn talenten gereed.

Er werd geholpen waar hij kon.
En niemand slingerde hem daarvoor op de bon.

Na verloop van tijd raakte hij echter de mensheid kwijt,
tot zijn grote spijt.

Waar waren zij gebleven?
De man stond in zijn eentje te beven.

Naar de verdwenenen ging hij op zoek,
maar tevergeefs luisterde hij naar hun geroep.

De verder geŽvolueerde mensheid probeerde hem nog te bereiken,
toen de man naar de laatste sporen begon te reiken.

Helaas was het al te laat,
zo is het nu eenmaal als men als onsterfelijke door het leven gaat.

De man ging terug naar zijn toren.
Dit bouwsel echter was niet het eeuwig leven beschoren.

Deze structuur was volledig vergaan,
en zo moest het, meende hij, ook met de mensheid zijn gegaan.

Maar gelukkig was hem dit gegeven;
een nieuw ras had intelligentie gekregen.

Afstammelingen van de dolfijnen waren teruggekeerd naar het land.
en hadden al ontwikkeld een hand.

Ze ontwikkelden uit zichzelf technologie en vuur.
Het leven van de man was niet meer zuur.

Maar onverbiddelijk was de tijd;
ook deze periode was een kleinigheid.

Maar keer op keer gebeurde het weer.
En telkens keken de volkeren op de wereld na verloop van tijd op hem neer.

De mens beschouwde deze wezens echter als zijn kroost.
Dat was zijn grote troost.

Telkens was het weer als nieuw,
vooral die wezens met een dubbele kieuw.

Een schijnbare eeuwigheid verstreek,
en toen de man om zich heen keek werd hij bleek.

Niets duurt eeuwig, dat weet een ieder al gauw,
want de tijd was gekomen voor de rouw.

Het was Gaia die ging sterven,
en nooit meer zou een ras op haar oppervlak de intelligentie erven.

De mens was reeds een miljard jaar oud,
en daarom had hij het ook niet zo lang benauwd.

En het drong eindelijk door tot zijn zinnen;
het was de wereld Gaia, die hem was gaan beminnen.

Helaas, deze dame met al haar pracht,
was nu in de dood zijn macht.

En met haar zou ook hij vergaan,
als hij tenminste zijn levensles goed had verstaan.

Echter, zijn leven had hij toch nog goed vervuld,
en zijn herinneringen waren voor eeuwig verguld.

Hel*** *** *** *** Tijdlijnen. Timelines.